english Met een muisklik wandelen in Amsterdam ©jordaanweb

Hofjes

Hofjes komen sinds de 14de eeuw voor en zijn typisch Nederlands. Het was een vroege vorm van bejaardenzorg en sociale woningbouw tegelijk, een oudedagsvoorziening voor arme, oude mensen. De oudjes woonden er gratis. De hofjes zijn ontstaan uit de begijnhoven die in ons land sinds de 12de eeuw voorkomen (zoals het Begijnhof in Amsterdam). “Hofje” is overigens de Hollandse benaming; elders in Nederland heten ze gasthuizen, weduwehuizen of kameren. De bloeitijd is de 17de en de 18de eeuw. Ze werden gesticht en beheerd door particulieren, vaak rijke, kinderloze burgers. Gebruikelijk was dat een hofje werd gesticht uit een nalatenschap. De meeste hofjes hebben de naam van de stichter. Motieven om een hofje te stichten zijn dus behalve liefdadigheid ook ijdelheid: de stichters wilden als weldoeners van de mensheid te kijk staan.

Het toelatingsbeleid was selectief, bijv. "alleenstaande vrouwen van onbesproken gedrag". Of er werden vrouwen toegelaten van een bepaalde gezindte: hervormd, luthers, doopsgezind, etc., maar ook katholiek kwam voor. Mannenhofjes kwamen niet voor, wel soms hofjes voor echtparen. Het bestuur werd gevormd door een "college van regenten". Deze vergaderde in de regentenkamer. De dagelijkse gang van zaken was echter in handen van de portier die vaak in een woninkje in het poortgebouw woonde. Veel voorschriften werden vastgelegd in een reglement.

Vanaf de straat zijn hofjes vaak moeilijk te zien. De woninkjes zijn meestal gebouwd achter de bewoning aan de straat. Een hofje is doorgaans een rechthoekig complex, waarvan de huisjes in U- of L-vorm rond een bleekveld (tegenwoordig meestal tuin) zijn gebouwd. Op het binnenterrein staat vaak een waterpomp met een lantaarn. Het poortgebouw bevat vaak een regentenkamer waarvan de luxueuze inrichting in schril contrast staat met de sobere woninkjes.

Een duidelijk onderscheid is er in de oorspronkelijke hofjes, de groep van inpandig gelegen woninkjes met een poortje aan de straat of gracht (zoals het Raepenhofje, het Looyershofje, het Suykerhofje en het Nieuwe Suykerhofje, en de latere hofjes, de royaler opgezette stichtingen met een opvallend poortgebouw (zoals het Deutzenhofje in de grachtengordel).

In tegenstelling tot de specifiek Amsterdamse stadshuizen, die in de hoogte zijn gebouwd, zijn hofjes in de breedte gebouwd. Dit heeft het voordeel dat architectonische principes volop kunnen worden toegepast. Dit is goed te zien bij bijvoorbeeld het Van Brienenhof.

Een uitzonderlijke positie neemt het Karthuizerhof in. Het Huyszitten Weduwenhof of in de volksmond het Karthuizerhof is gebouwd in 1650, op de plaats van het Middeleeuwse Kartuizerklooster, naar een ontwerp van stadsbouwmeester Daniël Stalpaert. Het was een voor die tijd groot complex: vier om een ruim binnenplein opgetrokken vleugels. In dit hof werden de zgn. huiszitten-weduwen (met hun kinderen) ondergebracht, weduwen die onder de hoede vielen van de Huiszittenmeesters, de armenzorg van de 17de eeuw. In de praktijk ging het niet alleen om weduwen, maar ook om ongehuwde moeders met kinderen. Het Karthuizerhof is dus, in tegenstelling tot de andere hofjes, een stedelijke instelling die nu overigens wordt beheerd door de woningcorporatie Ymere.

Het aantal hofjes is moeilijk aan te geven, omdat in de 19de eeuw en later vele instellingen van ouderdomsvoorziening zijn gesticht die vergelijkbaar zijn met de oude hofjes, terwijl veel oude hofjes in dergelijke moderne instellingen zijn opgegaan. Er zijn nog ca. 200 hofjes in Nederland, waarvan de meeste in Noord- en Zuid-Holland (Holland was immers de rijkste provincie van de Republiek). De helft staat in vier Hollandse steden: Amsterdam (47), Leiden (35), Haarlem (19) en Alkmaar (10). Amsterdam is dus de belangrijkste “hofjesleverancier” (meer dan een kwart van het totaal). Meer dan de helft van de Amsterdamse hofjes staat in de Jordaan (waar de grond goedkoop was). In Amsterdam zijn 51 hofjes gesticht (14 in de 17de, 18 in de 18de en 19 in de 19de eeuw), dus slechts 7 zijn er verdwenen. Wel zijn veel hofjes grondig verbouwd (waarbij het aantal woninkjes drastisch werd verminderd) of verplaatst (naar de nieuwe ruimere wijken). De regentenkamer is vaak volkomen ongewijzigd gebleven: het zijn kleine musea.

Hofjes zijn in principe toegankelijk, maar het komt helaas steeds vaker voor dat ze op slot zijn.

Bron: BMA

Amsterdam Museum